Lang leve de rubrics

Op 11 februari verscheen er in ScienceGuide een opiniestuk van Menno van der Schoot met als titel Een scriptiebeoordeling past niet in een schema

Van der Schoot is kritisch over de opmars van digitale beoordelingsschema’s (rubrics). Het gebruik ervan vindt hij vooral schijnzekerheid en schijnobjectiviteit. Hij ziet rubrics als een verzameling ‘gemene delers’ die vóóraf worden vastgesteld, en vervolgens gepresenteerd worden als een soort blauwdruk waaraan thesen moeten voldoen. Aangenomen mag worden, zo schrijft hij, dat dit (sommige) studenten zal aanzetten tot een calculerende leerhouding, in de zin dat zij zich tijdens (de verslaglegging van) hun onderzoek zullen richten op wat er van hen verwacht wordt.
Ook betoogt hij dat met de opmars van het rubric-denken het belang van een meer integrale, holistische lezing van studentenwerk steeds meer naar de achtergrond verdwijnt.
Accepteer dat docenten verschillen, zo schrijft hij, en dat je nooit helemaal kunt voorkomen dat zij gelijkwaardig werk anders zullen becijferen.

Deze laatste uitspraak raakt mij. Want hoe leg je ‘het anders becijferen van gelijkwaardig werk’ uit aan studenten? Een van de kwaliteitscriteria waaraan toetsen moeten voldoen is betrouwbaarheid. Een van de indicatoren bij betrouwbaarheid is vergelijkbaarheid. Dit houdt in dat je dezelfde beoordelingscriteria voor alle studenten hanteert, dat deze bijvoorbeeld zijn vastgelegd, dat de cesuur is bepaald, maar ook dat beoordelaars de beoordelingscriteria op vergelijkbare manier interpreteren en gebruiken. Dit kan bijvoorbeeld via de organisatie van ’kalibreersessies’.
Als opleiding dient het uitgangspunt dus te zijn dat gelijkwaardig werk op een eenduidige manier beoordeeld wordt.
Als je het hebt over gelijkwaardig werk anders becijferen, dan maakt het misschien niet zo heel veel uit als dat het verschil tussen een 7.5 en 7.6 betekent. Maar wat als het betekent dat de student bij de ene docent een voldoende haalt en bij de andere docent een onvoldoende? Dat lijkt me moeilijk te verantwoorden.

Van der Schoot pleit voor een verschuiving in de manier waarop we rubrics beschouwen en gebruiken: van een ‘handleiding’ naar een ‘handreiking’, van een bindend beoordelingsprotocol naar een hulpmiddel dat docenten mógen maar niet hóeven te gebruiken.

Mógen maar niet hóeven gebruiken? Dat vind ik vaag. Het is aan studenten niet uit te leggen dat de ene docent wel gebruikmaakt van rubrics en de andere docent niet. Zoals hierboven al gesteld: studenten hebben recht op een gelijke behandeling!

Verder maakt Van der Schoot onderscheid tussen ervaren en beginnende docenten. Hij schrijft dat het beginnende docenten vaak nog ontbreekt aan gedegen kennis en gebruikservaring. Een gevolg is dat zij zich minder bewust zijn van alle beoordelaarsfouten die op de loer liggen. Ook is het voor beginnende docenten moeilijker om een academische prestatie op waarde te schatten omdat zij deze nog niet kunnen afzetten tegen een eigen professionele kwaliteitsstandaard. In het geval van beginnende docenten mag je daarom wel dwingend(er) zijn in het aanreiken van handvatten en richtlijnen ter verbetering van hun beoordelingsbekwaamheid. En ja, dan kun je ook denken aan het verplicht gebruik van rubrics als middel om docenten te ondersteunen en op weg te helpen bij het ontwikkelen, formuleren en toepassen van goede beoordelingscriteria, zo schrijft Van der Schoot. Maar ook minder gehypte professionaliseringsinstrumenten als workshops en docentenhandleidingen lijken hiervoor minstens even geschikt. 

Als docent ben ik werkzaam in het hbo-onderwijs. Ik ben juist blij met beoordelingscriteria en prestatie-indicatoren (rubrics) die zodanig geformuleerd zijn dat het voor studenten en docenten duidelijk is wat er gevraagd wordt.
Want hoe beoordeel je verslagen met beoordelingsformulieren waarin bijvoorbeeld alleen maar beoordelingscriteria en scores zijn opgenomen, en géén prestatie-indicatoren? Wat moet ik als docent met beoordelingscriteria als ‘mate van samenwerking’ en ‘reflectie op gedrag’ waar je vervolgens de scores 1, 2, 3, 4 of 5 punten aan kunt toekennen? Wanneer vul ik dan 1 in? Als ik vind dat de student alleen maar passief is geweest? Of vul ik dan 2 in? Juist dit soort beoordelingsformulieren, waarop niet gedefinieerd is wanneer de student hoeveel punten krijgt, laten veel ruimte aan beoordelaars. Hoe garandeer je dan dat studenten op een gelijke manier beoordeeld worden? Ik geef toe: prestatie-indicatoren zijn niet zaligmakend. Maar het ontbreken van prestatie-indicatoren maakt een beoordeling wel erg vaag. 

Bij de opleiding Communicatie van hogeschool Inholland zijn rubrics voor het afstudeerproduct gaandeweg door de jaren heen ontwikkeld en tot stand gekomen tijdens uitgebreide kalibreersessies met het docententeam. Er zijn duidelijke beoordelingscriteria en prestatie-indicatoren geformuleerd, mede dankzij de afstudeercoördinator, die ook gezorgd heeft voor een uitgebreide toelichting bij het beoordelingsformulier. Dat alles geeft houvast aan studenten en aan (beginnende) docenten en (tijdelijk ingehuurde) examinatoren. Bovendien kunnen de rubrics ook gebruikt worden voor het geven van tussentijdse feedback. De student ziet dan voor welke criteria hij nog geen voldoende scoort en wat er bijvoorbeeld nog verbeterd kan worden. 

Al met al zie ik goede ideeën in het opiniestuk van Van der Schoot, maar ondervind ik dat de praktijk weerbarstiger is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.