Maandelijks archief: mei 2019

Spiegeltje spiegeltje aan de wand

Deze week verbande GroenLinks-partijleider Jesse Klaver Tweede Kamerlid Zihni Özdil uit de fractie. Özdil riep in een interview met Trouw GroenLinks op om het studieleenstelsel niet langer te steunen. Volgens hem is het ‘een asociaal systeem, dat de tweedeling in de samenleving aanwakkert’. Dat was tegen het zere been van Klaver, een van de architecten van het leenstelsel. Omdat Özdil het interview niet van te voren had afgestemd met de partijleiding, werd hij bij Klaver op het matje geroepen. In dat gesprek vroeg Klaver hem zich op voorhand te committeren aan het nieuwe partijstandpunt over het leenstelsel, ongeacht wat dat zou zijn.

Op voorhand akkoord gaan met een standpunt?
Dat betekent klakkeloos volgen wat de ander vindt en niet zelf kritisch denken. Klaver wil kennelijk dat zijn partijgenoten hem blindelings volgen.  
Mobiliseer tegenspraak, zo heb ik ooit geleerd. Sta open voor andere meningen en wees kritisch. Laat ruimte voor discussie…
Daarvan is hier niets te merken.

Deze week vertelde Lilian Marijnissen, partijleider van de SP, dat het sowieso anders moet, maar dat eerst de enorme nederlaag bij de Europese verkiezingen onderzocht moet worden.
Tijd voor bezinning.
Tijd voor kritische reflectie.
Tijd voor spiegelen.
Hoog tijd voor GroenLinks om dat voorbeeld te volgen.

Dementie overschaduwt haar vroegere overbezorgdheid… misschien is dat wel een opluchting

‘Ze is niet helemaal honderd. Ze zit daar maar wat voor zich uit te kijken en zegt niets.’ 
Ongevraagd vertelt mijn moeder over een vrouw die bij haar op bezoek was in het verzorgingshuis en die –  net als zij – dementerend is. Mijn moeder die iets uit zichzelf vertelt en zich überhaupt herinnert wie er op visite is geweest! Dat is lang geleden. Meestal is ze niet zo scheutig met spreken. Wel vraagt ze veel, meestal hetzelfde een paar keer achter elkaar.

‘Is het vandaag zondag?’
‘Ja, mam, het is vandaag zondag.’ 
‘Komt er nog visite vandaag?’
‘Nee, ik ben er, mam.’
‘Is het vandaag zondag?’
‘Ja, mam, het is vandaag zondag.’
‘Komt er nog visite vandaag?’
‘Ik ben er toch?’

Het contrast met voorheen is schrijnend. Toen kon ik met haar praten en belde ze geregeld. ‘Laat je even weten als je goed aangekomen bent?’, drukte ze me dan op het hart als ik na een bezoek aan haar weer in de auto stapte. Vroeger, in een ver verleden, in een tijd dat er nog een gesprek mogelijk was. We bellen nooit meer. Waarschijnlijk is ze nu meteen vergeten dat ik bij haar ben geweest op het moment dat ik de deur achter me dicht trek. De ziekte dementie overschaduwt haar vroegere bezorgdheid. Misschien is dat wel een opluchting.  

Ik probeer mijn opkomend ongeduld en mijn geïrriteerdheid te onderdrukken. Ik prent mezelf in dat ze er niets aan kan doen dat ze dingen vergeet en steeds hetzelfde vraagt en zegt. Ik merk dat ik de neiging heb om de stiltes op te vullen met vragen. Dat werkt niet, het heeft een averechts effect: ze wordt er onrustig van. Het confronteert haar waarschijnlijk – en vooral ook mij – met de harde werkelijkheid dat ze niet meer helemaal bij is. Dat ze hulp nodig heeft bij het wassen en het aantrekken van haar kleren, dat ze niet weet wat ze met een washandje moet doen en met welk bestek ze soep moet eten, dat ze vaak niet weet wat ze moet doen. Moet ze gaan slapen, blijven zitten, koffie drinken? Ik neem me voor geen vragen meer te stellen, maar te vertellen wat ik meegemaakt heb. Ik vertel over het hondje van de buren, over kickboksen, zwemmen, over mijn dochter en mijn man, over de vakantie, over vriendinnen. Ze lacht aarzelend en eventjes zie ik in een flits de vrouw die ze was. 
We hebben contact.
Ik laat haar foto’s zien.
‘Jan staat er niet op!’, reageert ze alert. 
Verhip, dat ziet ze goed! Ik heb geen foto op mijn iPhone van mijn broer Jan, maar wel een foto van mijn zus en andere broer. 
We hebben contact.
Dat contact is er ook als ik samen met haar een kruiswoordpuzzel oplos. Ik lees hardop wat er staat, hoeveel letters het woord moet zijn. 
Ze weet verrassend veel woorden, meer dan ik. Die liggen verankerd in haar geheugen.

Er is altijd hoop.