Auteursarchief: mbrulswp

Nooit meer

Vandaag is het een jaar geleden dat mijn moeder overleed in een verzorgingshuis in Limburg.
Samen met mijn zus zat ik bij haar in de nacht dat ze stierf, af en toe tellend hoeveel seconden haar ademhaling stopte en daarna weer op gang kwam. Hopend dat het snel voorbij zou zijn.
Midden in de nacht, in het verzorgingshuis met alle vreemde geluiden om me heen, het licht gedempt, begreep ik pas hoe mijn dementerende moeder zich gevoeld moest hebben als ze ‘s nachts wakker werd en over de gang ging dwalen. Spookachtig, geen mens te bekennen. Met een minimale bezetting aan personeel.

Wat ben ik de verzorgende dankbaar die het laatste half uur van mijn moeders leven met mij en mijn zus ‘meeliep’. Dankbaar dat ze bij ons bleef zitten. Had mijn moeder pijn, vroegen we ons af. De verpleegkundige stelde ons gerust, juist door eerlijk te zijn. Ze durfde niet met zekerheid te zeggen of mijn moeder leed. Ze vertelde dat het sterven bij iedereen weer anders is. Maar dat zuchten, dat mijn moeder deed, dat wist ze wel, dat hoorde erbij. Het zou snel afgelopen zijn.

Later op de dag, op weg naar mijn huis in Almere, huilde de hemel en realiseerde ik me dat dit het was. Ik was niet alleen mijn moeder kwijt, maar ook mezelf in relatie tot mijn moeder. Zoals zij mij zag, zo zag niemand mij. Wat ik voor haar betekende, dat betekende ik voor niemand.

Heb ik mijn moeder gemist afgelopen jaar?
Vooral op onverwachte momenten.
Het moment dat een vriendin vertelde dat ze haar moeder door de coronacrisis al zeven weken niet gezien had.
Het moment dat ik het antwoordapparaat van onze huistelefoon afluisterde om nog een keer mijn moeders stem te horen.
En vooral miste ik haar toen ik op de Omdenken-kalender het zinnetje weet dat ik jou met kerstmis las.
En laatst, toen ik wandelde, en er ineens twee vlinders om mij heen dartelden. In een flits dacht ik: pap en mam hebben elkaar weer gevonden en willen mij laten weten dat het goed met ze gaat.

Vandaag is het precies een jaar geleden dat mijn moeder stierf. De dag waarop de wereld even stilstond. De hemel huilde. En ik me realiseerde dat dit het was. Want zoals zij mij zag, zo zal niemand mij ooit nog zien.

Lang leve de rubrics

Op 11 februari verscheen er in ScienceGuide een opiniestuk van Menno van der Schoot met als titel Een scriptiebeoordeling past niet in een schema

Van der Schoot is kritisch over de opmars van digitale beoordelingsschema’s (rubrics). Het gebruik ervan vindt hij vooral schijnzekerheid en schijnobjectiviteit. Hij ziet rubrics als een verzameling ‘gemene delers’ die vóóraf worden vastgesteld, en vervolgens gepresenteerd worden als een soort blauwdruk waaraan thesen moeten voldoen. Aangenomen mag worden, zo schrijft hij, dat dit (sommige) studenten zal aanzetten tot een calculerende leerhouding, in de zin dat zij zich tijdens (de verslaglegging van) hun onderzoek zullen richten op wat er van hen verwacht wordt.
Ook betoogt hij dat met de opmars van het rubric-denken het belang van een meer integrale, holistische lezing van studentenwerk steeds meer naar de achtergrond verdwijnt.
Accepteer dat docenten verschillen, zo schrijft hij, en dat je nooit helemaal kunt voorkomen dat zij gelijkwaardig werk anders zullen becijferen.

Deze laatste uitspraak raakt mij. Want hoe leg je ‘het anders becijferen van gelijkwaardig werk’ uit aan studenten? Een van de kwaliteitscriteria waaraan toetsen moeten voldoen is betrouwbaarheid. Een van de indicatoren bij betrouwbaarheid is vergelijkbaarheid. Dit houdt in dat je dezelfde beoordelingscriteria voor alle studenten hanteert, dat deze bijvoorbeeld zijn vastgelegd, dat de cesuur is bepaald, maar ook dat beoordelaars de beoordelingscriteria op vergelijkbare manier interpreteren en gebruiken. Dit kan bijvoorbeeld via de organisatie van ’kalibreersessies’.
Als opleiding dient het uitgangspunt dus te zijn dat gelijkwaardig werk op een eenduidige manier beoordeeld wordt.
Als je het hebt over gelijkwaardig werk anders becijferen, dan maakt het misschien niet zo heel veel uit als dat het verschil tussen een 7.5 en 7.6 betekent. Maar wat als het betekent dat de student bij de ene docent een voldoende haalt en bij de andere docent een onvoldoende? Dat lijkt me moeilijk te verantwoorden.

Van der Schoot pleit voor een verschuiving in de manier waarop we rubrics beschouwen en gebruiken: van een ‘handleiding’ naar een ‘handreiking’, van een bindend beoordelingsprotocol naar een hulpmiddel dat docenten mógen maar niet hóeven te gebruiken.

Mógen maar niet hóeven gebruiken? Dat vind ik vaag. Het is aan studenten niet uit te leggen dat de ene docent wel gebruikmaakt van rubrics en de andere docent niet. Zoals hierboven al gesteld: studenten hebben recht op een gelijke behandeling!

Verder maakt Van der Schoot onderscheid tussen ervaren en beginnende docenten. Hij schrijft dat het beginnende docenten vaak nog ontbreekt aan gedegen kennis en gebruikservaring. Een gevolg is dat zij zich minder bewust zijn van alle beoordelaarsfouten die op de loer liggen. Ook is het voor beginnende docenten moeilijker om een academische prestatie op waarde te schatten omdat zij deze nog niet kunnen afzetten tegen een eigen professionele kwaliteitsstandaard. In het geval van beginnende docenten mag je daarom wel dwingend(er) zijn in het aanreiken van handvatten en richtlijnen ter verbetering van hun beoordelingsbekwaamheid. En ja, dan kun je ook denken aan het verplicht gebruik van rubrics als middel om docenten te ondersteunen en op weg te helpen bij het ontwikkelen, formuleren en toepassen van goede beoordelingscriteria, zo schrijft Van der Schoot. Maar ook minder gehypte professionaliseringsinstrumenten als workshops en docentenhandleidingen lijken hiervoor minstens even geschikt. 

Als docent ben ik werkzaam in het hbo-onderwijs. Ik ben juist blij met beoordelingscriteria en prestatie-indicatoren (rubrics) die zodanig geformuleerd zijn dat het voor studenten en docenten duidelijk is wat er gevraagd wordt.
Want hoe beoordeel je verslagen met beoordelingsformulieren waarin bijvoorbeeld alleen maar beoordelingscriteria en scores zijn opgenomen, en géén prestatie-indicatoren? Wat moet ik als docent met beoordelingscriteria als ‘mate van samenwerking’ en ‘reflectie op gedrag’ waar je vervolgens de scores 1, 2, 3, 4 of 5 punten aan kunt toekennen? Wanneer vul ik dan 1 in? Als ik vind dat de student alleen maar passief is geweest? Of vul ik dan 2 in? Juist dit soort beoordelingsformulieren, waarop niet gedefinieerd is wanneer de student hoeveel punten krijgt, laten veel ruimte aan beoordelaars. Hoe garandeer je dan dat studenten op een gelijke manier beoordeeld worden? Ik geef toe: prestatie-indicatoren zijn niet zaligmakend. Maar het ontbreken van prestatie-indicatoren maakt een beoordeling wel erg vaag. 

Bij de opleiding Communicatie van hogeschool Inholland zijn rubrics voor het afstudeerproduct gaandeweg door de jaren heen ontwikkeld en tot stand gekomen tijdens uitgebreide kalibreersessies met het docententeam. Er zijn duidelijke beoordelingscriteria en prestatie-indicatoren geformuleerd, mede dankzij de afstudeercoördinator, die ook gezorgd heeft voor een uitgebreide toelichting bij het beoordelingsformulier. Dat alles geeft houvast aan studenten en aan (beginnende) docenten en (tijdelijk ingehuurde) examinatoren. Bovendien kunnen de rubrics ook gebruikt worden voor het geven van tussentijdse feedback. De student ziet dan voor welke criteria hij nog geen voldoende scoort en wat er bijvoorbeeld nog verbeterd kan worden. 

Al met al zie ik goede ideeën in het opiniestuk van Van der Schoot, maar ondervind ik dat de praktijk weerbarstiger is.

Jokkebrokken

Ik lees een tweet van Renske Leijten. Ze schrijft over Tamara die een gesprek had met de Belastingdienst. Tamara is géén fraudeur. Er was weliswaar een “signaal”, maar er is niets onderzocht of bewezen. Ze moest wel álles terug betalen, huwelijk kapot en dik trauma.
Tamara is een van de honderden, nee, waarschijnlijk duizenden ouders, van wie ten onrechte de opvangtoeslag werd stopgezet en teruggevorderd.

Wat heeft de ambtelijke top van de Belastingdienst bewogen om zich onrechtmatig bevoegdheden toe te eigenen?  Waarom worden deze ambtenaren die buiten hun boekje zijn gegaan, niet persoonlijk aansprakelijk gesteld?
De top van de Belastingdienst die al in 2013 wist dat onschuldige burgers de dupe zouden worden van controles.
De top die loog tegen de Nationale Ombudsman, stukken achterhield in rechtszaken en voor de Tweede Kamer.

Vandaag debatteert de Tweede Kamer opnieuw met Menno Snel, staatssecretaris van Financiën, over deze kinderopvangtoeslagaffaire.
Ik vraag me af waarom Snel geen schoon schip maakt in de ambtelijke top van de Belastingdienst.
De Belastingdienst die veel langer doorging met het onwettelijk behandelen van ouders dan Snel in eerste instantie beweerde. De werkwijze werd niet in 2016 aangepast.
Ook ná 2016 werden toeslagen stopgezet en kregen ouders geen tweede kans om de juiste informatie aan te leveren, ondanks het feit dat het wettelijk verplicht is om een aanmaning of herinnering (rappel) te sturen, voordat de toeslag wordt stopgezet of opgeschort.
En Snel wist dat.
Het is moeilijk om schoon schip te maken als je zelf niet de waarheid spreekt.

Onbereikbaar dichtbij

Een jaar lang reisde ik bijna elk weekend naar Limburg, om mijn moeder te bezoeken, die in een verzorgingshuis woonde, omdat ze dementerend was.
Hoe vaak heb ik niet de wens uitgesproken dat het afgelopen zou zijn?   
Haar verwardheid, haar paniek en onrust. Haar kwetsbaarheid. Het was allemaal zo pijnlijk om mee te maken.
Maar ook was er altijd weer haar humor, haar lieve lach en haar opgewektheid. 
Dat alles is nu voorbij.
Mijn moeder is dood.
Er is opluchting,
maar ook leegte.
En het is zo stil.

Haar kamer in het verzorgingshuis is leeg, alle spullen zijn verdeeld en wat niemand van haar kinderen wilde hebben, is afgevoerd.
Het bed waarin ze overleed is weggehaald en staat waarschijnlijk al weer bij een nieuwe bewoner op de kamer…

Wat zullen we haar missen. Haar verhalen over alles en iedereen, haar vragen en haar ondeugende opmerkingen. We hebben haar zo lang bij ons mogen hebben. Daar zijn we dankbaar voor.
Vanaf nu zullen we geen nieuwe dingen meer meemaken met haar, er zullen geen nieuwe ervaringen meer bijkomen.
Het is zo stil.

Schrijver en dichter Mischa de Vreede schreef ooit: ‘Dat is wel het vervelendste van het doodgaan van mensen: dat jij met hen ook alles wat je voor hen betekende verliest…Niet alleen ben je de ander kwijt, je gaat zelf ook een beetje verloren.’

Wat overblijft zijn alle herinneringen. Het zijn er zoveel!
Op zoek naar herinneringen, vind ik in een doos een brief van mijn moeder, die ze schreef aan mij in 1991, twee maanden nadat mijn vader overleed. 
Terwijl ik de brief een paar keer lees, lijkt het alsof ze naast me zit.
Ze schreef dat ze naar de mis was geweest en dat ze daar samen met nichtje Bernadette herinneringen had opgehaald aan mijn vader. Dat was echt fijn, zo schreef ze.
Verder schreef ze dat ze die dag helemaal niks ging doen en dat ze af en toe zo’n dagje nodig had om herinneringen te zoeken. Ze had de kast opgeruimd, maar de kleren van mijn vader kon ze nog niet weggooien. Ze eindigde de brief met dat ze weer moest huilen. En dat het pijn deed.  

Haar brief ontroert en raakt me.  Ik heb me nooit gerealiseerd dat ze zo mooi kon schrijven. Nu ik de brief weer lees, vallen me hele andere dingen op dan destijds, toen ik de brief kreeg.  Ik zie nu pas hoe open ze was in deze brief over haar gevoelens. En hoe ze zichzelf toestond om te rouwen.
Dat is wat wij nu ook gaan doen.
Tijd nemen om te rouwen en te beseffen dat ze niet meer terugkomt.
Maar dat er zoveel mooie herinneringen zijn, die we in ons hart bewaren.

Spiegeltje spiegeltje aan de wand

Deze week verbande GroenLinks-partijleider Jesse Klaver Tweede Kamerlid Zihni Özdil uit de fractie. Özdil riep in een interview met Trouw GroenLinks op om het studieleenstelsel niet langer te steunen. Volgens hem is het ‘een asociaal systeem, dat de tweedeling in de samenleving aanwakkert’. Dat was tegen het zere been van Klaver, een van de architecten van het leenstelsel. Omdat Özdil het interview niet van te voren had afgestemd met de partijleiding, werd hij bij Klaver op het matje geroepen. In dat gesprek vroeg Klaver hem zich op voorhand te committeren aan het nieuwe partijstandpunt over het leenstelsel, ongeacht wat dat zou zijn.

Op voorhand akkoord gaan met een standpunt?
Dat betekent klakkeloos volgen wat de ander vindt en niet zelf kritisch denken. Klaver wil kennelijk dat zijn partijgenoten hem blindelings volgen.  
Mobiliseer tegenspraak, zo heb ik ooit geleerd. Sta open voor andere meningen en wees kritisch. Laat ruimte voor discussie…
Daarvan is hier niets te merken.

Deze week vertelde Lilian Marijnissen, partijleider van de SP, dat het sowieso anders moet, maar dat eerst de enorme nederlaag bij de Europese verkiezingen onderzocht moet worden.
Tijd voor bezinning.
Tijd voor kritische reflectie.
Tijd voor spiegelen.
Hoog tijd voor GroenLinks om dat voorbeeld te volgen.

Dementie overschaduwt haar vroegere overbezorgdheid… misschien is dat wel een opluchting

‘Ze is niet helemaal honderd. Ze zit daar maar wat voor zich uit te kijken en zegt niets.’ 
Ongevraagd vertelt mijn moeder over een vrouw die bij haar op bezoek was in het verzorgingshuis en die –  net als zij – dementerend is. Mijn moeder die iets uit zichzelf vertelt en zich überhaupt herinnert wie er op visite is geweest! Dat is lang geleden. Meestal is ze niet zo scheutig met spreken. Wel vraagt ze veel, meestal hetzelfde een paar keer achter elkaar.

‘Is het vandaag zondag?’
‘Ja, mam, het is vandaag zondag.’ 
‘Komt er nog visite vandaag?’
‘Nee, ik ben er, mam.’
‘Is het vandaag zondag?’
‘Ja, mam, het is vandaag zondag.’
‘Komt er nog visite vandaag?’
‘Ik ben er toch?’

Het contrast met voorheen is schrijnend. Toen kon ik met haar praten en belde ze geregeld. ‘Laat je even weten als je goed aangekomen bent?’, drukte ze me dan op het hart als ik na een bezoek aan haar weer in de auto stapte. Vroeger, in een ver verleden, in een tijd dat er nog een gesprek mogelijk was. We bellen nooit meer. Waarschijnlijk is ze nu meteen vergeten dat ik bij haar ben geweest op het moment dat ik de deur achter me dicht trek. De ziekte dementie overschaduwt haar vroegere bezorgdheid. Misschien is dat wel een opluchting.  

Ik probeer mijn opkomend ongeduld en mijn geïrriteerdheid te onderdrukken. Ik prent mezelf in dat ze er niets aan kan doen dat ze dingen vergeet en steeds hetzelfde vraagt en zegt. Ik merk dat ik de neiging heb om de stiltes op te vullen met vragen. Dat werkt niet, het heeft een averechts effect: ze wordt er onrustig van. Het confronteert haar waarschijnlijk – en vooral ook mij – met de harde werkelijkheid dat ze niet meer helemaal bij is. Dat ze hulp nodig heeft bij het wassen en het aantrekken van haar kleren, dat ze niet weet wat ze met een washandje moet doen en met welk bestek ze soep moet eten, dat ze vaak niet weet wat ze moet doen. Moet ze gaan slapen, blijven zitten, koffie drinken? Ik neem me voor geen vragen meer te stellen, maar te vertellen wat ik meegemaakt heb. Ik vertel over het hondje van de buren, over kickboksen, zwemmen, over mijn dochter en mijn man, over de vakantie, over vriendinnen. Ze lacht aarzelend en eventjes zie ik in een flits de vrouw die ze was. 
We hebben contact.
Ik laat haar foto’s zien.
‘Jan staat er niet op!’, reageert ze alert. 
Verhip, dat ziet ze goed! Ik heb geen foto op mijn iPhone van mijn broer Jan, maar wel een foto van mijn zus en andere broer. 
We hebben contact.
Dat contact is er ook als ik samen met haar een kruiswoordpuzzel oplos. Ik lees hardop wat er staat, hoeveel letters het woord moet zijn. 
Ze weet verrassend veel woorden, meer dan ik. Die liggen verankerd in haar geheugen.

Er is altijd hoop.

Jairo die zelf winnaar is, gunt Pim de beker

Bij de hbo-opleiding waar ik werk, vindt jaarlijks het INDEBAT plaats. Een dag waarop studenten met elkaar debatteren over een aantal stellingen. De weken ervoor krijgen ze les hierin en bereiden ze zich voor. Aan het einde van de dag worden de twee beste groepen gekozen. In de finale strijden deze tegen elkaar. De ene groep is vóór de stelling Vrouwen moeten een sterke financiële prikkel krijgen om voor ICT-studies te kiezen, de andere groep tegen. De groep die het beste debatteert, wint de beker.

Het is voor het eerst dat ik erbij ben. Gedurende het slotdebat besluit ik impulsief om video-opnames met mijn iPhone te maken. Terwijl ik alles zo goed mogelijk in beeld probeer te krijgen – de sfeer, de studenten, collega’s, de ruimte – spoken er allerlei gedachten door mijn hoofd. Kan ik dit wel doen? Had ik hiervoor geen toestemming moeten vragen?

Thuis plaats ik mijn opnames in iMovie. Kijkend naar de beelden zie ik pas écht hoe het slotdebat verliep. Wat me tijdens het filmen niet opviel, wordt nu uitvergroot getoond.
Terwijl de beker wordt uitgereikt aan de winnaars gebaart Jairo dat zijn groep moet gaan staan om hem in ontvangst te nemen. Vol overtuiging wijst hij naar Pim. Pim die zo’n rake opmerking maakte tijdens het debat, waardoor de zaal ging joelen. Jairo vindt dat Pim de beker moet aannemen. Jairo die zelf winnaar is, gunt Pim de beker. Dat is klasse.
En wat te denken van Omar, die meestal vrij afwachtend is. Is dat Omar? Hij kan nauwelijks stil zitten en popelt om te praten. En dan Anouk, die kordaat de argumenten van de tegenstanders pareert.

De beelden raken me. Ze laten studenten zien die keihard aan het werk zijn. Bezig met overleggen, nadenken, luisteren, argumenteren. En elkaar de ruimte gunnen en geven.
De energie en het enthousiasme spatten ervan af!

Zorg op maat ‘Trek gewoon een peignoir aan!’

Mijn moeder, 93 en dementerend, woonde tot vorig jaar op zichzelf. Totdat ze struikelde in de badkamer en in het ziekenhuis belandde. Van daaruit verhuisde ze eerst naar een revalidatiecentrum en vervolgens naar de open afdeling van een verzorgingstehuis.

Onlangs nodigde de zorgcoördinator van het tehuis ons (mijn zus, mijn twee broers en mij) uit voor een gesprek. Ze had signalen gekregen dat mijn moeder vooral ’s avonds veel over de gangen dwaalde. In pyjama en op blote voeten. En dat was niet het enige. Mijn moeder liep ook met de verpleegkundigen mee, wanneer zij de kamers van de andere bewoners binnengingen. Kortom: mijn moeder was ‘lastig’ en men vroeg zich af of ze niet eerder op de gesloten afdeling thuis hoorde dan op de open afdeling.

We bereidden ons goed voor op het gesprek, vastbesloten ervoor te zorgen dat mijn moeder op de open afdeling zou mogen blijven. Vooraf namen we een kijkje op de gesloten afdeling.  We zagen ouderen, zittend aan tafel, slapend of wezenloos voor zich uitstarend. We schrokken ons kapot van een man met spierwit haar die om de haverklap keihard ‘PAPA’ schreeuwde en daarna ‘MAMA’. We ontmoetten een wereld van leegte, afgesloten van het leven. Ouderen, wachtend op de dood. En hier zou mijn moeder moeten bivakkeren? In een omgeving waar ze met niemand contact zou kunnen maken? Ze zou hier in een compleet isolement zinken en doodongelukkig worden.  
Wat een contrast met de open afdeling. Daar is ze graag. Met trots vertelt ze dat ze een mooie grote kamer heeft met een aparte slaapkamer en dat het personeel zo lief is. Ze voelt zich op haar gemak bij de bewoners met wie ze elke dag samen eet. Ze kennen haar en zij kent hen. Ze neemt enthousiast deel aan alle activiteiten die georganiseerd worden. Vooral in de taalspelletjes blinkt ze uit.

Na het bezoek aan de gesloten afdeling zijn we vastbesloten. Onze moeder hoort daar niet!  En met die overtuiging gaan we het gesprek aan met de coördinator en de huisarts van het verzorgingstehuis.
De coördinator vertelt over het dwalen van mijn moeder: ‘In pyjama, dat willen we toch niet!’
Dat willen we niet? Waarom mag mijn moeder eigenlijk niet gewoon in haar pyjama over de gang lopen? Wat is daar mis mee? Dat deed ze thuis ook! Kennelijk ben ik niet de enige die dat denkt, want de huisarts zegt laconiek dat dit gemakkelijk op te lossen is. ‘Leg een peignoir van mevrouw op de medicijnkar en trek die aan’, stelt ze voor. En het feit dat mijn moeder kamers binnenloopt? ‘Gewoon wat meer stoelen neerzetten op de gangen, dan kan ze daar gaan zitten. Zorg op maat noemen we dat’, aldus de huisarts, die tot slot benadrukt dat er meer dementerenden zijn op de open afdeling en dat mijn moeder niet de enige is.
Het voelt als een overwinning. Geen vrijheidsbeperkende maatregelen, maar gelukkig een huisarts die naar alternatieven zoekt.

De macht van de media

Van de lokale pers wordt verwacht dat er onafhankelijk verslag wordt gedaan van wat er zich op het stadhuis afspeelt. Dat lees ik in een bericht Werkrelatie ADW en wethouder ernstig verstoord op almeredezeweek.nl, gepubliceerd vóórdat wethouder Tjeerd Herrema gisteravond zijn ontslag indiende. Dat zinnetje intrigeert mij. Ik vraag me af wat de rol van ADW is (geweest).

Bericht ADW
In het bericht op almeredezeweek.nl staat dat een verslaggever van ADW maandagavond via Messenger een eenzijdig en zeer persoonlijk telefoontje van Herrema ontving waarin het niet tot een gesprek kwam. De journalist verbrak daarop geschrokken de verbinding. Eerder die week had de wethouder via Messenger ook al persoonlijke berichten verstuurd waar de verslaggever opheldering over had gevraagd, maar niet kreeg.
De verslaggever riep Herrema dinsdag opnieuw ter verantwoording over het eenzijdige telefoontje. Die kwam niet met excuses, maar reageerde onverschillig: ‘Hoop niet dat je rode oortjes hebt gekregen’. Dat was naar de mening van de redactie een intimiderende en onbetamelijke reactie. De krant stelt dat de werkrelatie ernstig verstoord is.
In hetzelfde bericht vermeldt almeredezeweek.nl dat Herrema vorig jaar in opspraak kwam nadat de website geenstijl.nl naar buiten bracht dat hij een aantal sekssites via zijn twitteraccount volgde.

De krant dient naar aanleiding van dit alles een klacht in bij burgemeester Franc Weerwind. De wethouder schakelt daarop onderzoeksbureau Hoffmann Bedrijfsrecherche in om onderzoek te laten doen naar zijn telefoon. Coalitiepartijen, uitgezonderd de PvdA, zeggen het vertrouwen in de wethouder op, die vervolgens zijn ontslag indient.

Rol ADW
De code voor de journalistiek, door het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren (2008) vermeldt dat de journalist geen misbruik maakt van zijn positie en bij het verzamelen, selecteren en bewerken van nieuws fair te werk gaat.
Heeft ADW gehandeld conform deze uitgangspunten?
Stel dat dit alles een ‘gewone’ burger was overkomen, had ADW dan ook bericht hierover? Dat betwijfel ik. Er was dan heel wat meer inspanning nodig geweest om het voorval aan de grote klok te hangen. Zou ADW er dan ook voor gekozen hebben om niet eerst de resultaten van het onderzoek af te wachten, maar toch alvast te publiceren? ADW vermeldt dat Herrema een aantal sekssites via zijn twitteraccount volgde. Wat is eigenlijk de relevantie van deze informatie? Waarom wordt dit expliciet vermeld?

Achter de schermen
Wat ik gezien heb tijdens de gemeenteraadsvergaderingen is dat politici en journalisten tijdens de pauzes vaak met elkaar in gesprek raakten. Die gesprekken zagen er – vanaf een afstand bekeken – ontspannen en gemoedelijk uit. Ik was zelf niet betrokken bij die gesprekken en weet niet wat er besproken werd. Ik geef een impressie van de sfeer.
Zelf ben ik geen voorstander van nauw contact met politici tijdens de gemeenteraadsvergaderingen. Ik ben bang dat het mijn journalistieke onafhankelijkheid in de weg staat. Politici zoeken niet voor niets contact met journalisten, er spelen altijd belangen. Ze willen een zo gunstig mogelijk beeld van zichzelf creëren in de media en proberen je toch te beïnvloeden. Aan de andere kant hebben journalisten politici nodig om informatie boven tafel te krijgen. En zo ontstaat er een situatie waarin wederzijds afgetast wordt: hoever kan ik gaan. Hoe kan ik de ander het beste informatie ontfutselen en hoe kan ik de ander het beste bespelen.
Zou het kunnen dat de verslaggever van ADW toch té dichtbij is gekomen?
Ik denk dat deze situatie complexer is dan op het eerste gezicht lijkt. Wat zich echt heeft afgespeeld en hoe het zover heeft kunnen komen wordt waarschijnlijk niet openbaar. Stel dat andere politici Herrema wilden lozen en daarvoor ADW benaderd hebben? Geen irreële gedachte, zeker niet als zelfs mijn 18-jarige dochter opmerkt dat die wethouder er misschien wel ‘ingeluisd is’.

“Wij schudden de boel wakker” De komst van de PVV in de Almeerse gemeenteraad

“Het lijkt nergens op, een spuitinrichting in het centrum van Almere”, zegt PVV’er Toon van Dijk tijdens de gemeenteraadsvergadering, op een donderdagavond in april. Van Dijk ziet eruit alsof hij net van een zonvakantie terug is. “Ik ben niet tegen een drugshostel, maar wél op die locatie”, zegt hij en strijkt zijn halflange haar naar achteren. Daarbij kijkt hij wethouder Johanna Haanstra nauwelijks aan. Hij doet of hij verbolgen is.
De discussie wordt fel. “Is het niet naïef om te denken,” vraagt een VVD-raadslid, “dat een hostel geen overlast geeft voor de omwonenden?” Wethouder Johanna Haanstra (PvdA) heeft rode konen. Het afgelopen jaar heeft ze zich sterk gemaakt voor de komst van een opvangcentrum voor drugsverslaafden in het centrum van Almere. Met het verzet van de PVV in de raad hangt haar besluit aan een zijden draad. Haanstra verheft haar stem: “Wij hopen dat het stelen door de aanwezigheid van een hostel juist minder wordt.” “Maar stel dat de overlast de perken te buiten gaat? Welke maatregelen neemt de wethouder dan?” vraagt Van Dijk. “Voordat ik echt boos word,” antwoordt de wethouder, “geef ik het woord weer aan de voorzitter, ik héb die vraag al beantwoord.” De zaal lacht. Van Dijk zegt hard:”De wethouder zwalkt. U bent niet concreet en doet een boterzachte toezegging.”
Het publiek applaudisseert. Zo’n tachtig belangstellenden, die de raadsvergadering opluisteren, zijn het kennelijk eens met Van Dijk. De zaal is stampvol, het is er bedompt. De PVV heeft het hostel opnieuw op de agenda geplaatst, ook al besloot de raad negen maanden geleden dat het opvanghuis voor verslaafden in het centrum gevestigd wordt. Dicht bij het winkelcentrum en dicht bij Echnaton, een middelbare scholengemeenschap.
“U heeft vast onderzocht in welke wijk het hostel dan wél moet komen,” zegt een raadslid van het CDA, “u hoest wel wat wijken op.” Van Dijk zucht: “Daar ga ik niet over. Dat is aan het college.” De voorzitter wordt regelmatig onderbroken door raadsleden en vraagt dan om stilte. “Mag ik even het woord? Ik ben de voorzitter”, roept zij. Een raadslid van de VVD roept aan het einde van de avond: “Voorzitter, ik krijg bijna een rsi-arm van het zwaaien naar u om ook wat te mogen zeggen. Waarom geeft u wel ruimte aan de heer Van Dijk en niet aan mij? Alleen al daarom wil ik het onderwerp volgende week weer op de agenda.”

De PVV werd bij de gemeenteraadsverkiezingen van 3 maart 2010 met 9 van de 39 zetels de grootste partij van Almere. Met haar komst lijkt de cultuur van de raadsvergaderingen te veranderen. Het zijn kat-en-muisspelen waar raadsleden elkaar met woorden onderuit halen. Wat is de strategie van de PVV in de Almeerse gemeenteraad? Twee maanden in het kielzog van een partij die de boel wakker wil schudden.

Onderhandelingen

Na de overwinning probeerde PVV-lijsttrekker Raymond de Roon in Almere een college te vormen, maar gesprekken met de andere partijen mislukten. De PVV verweet de partijen dat die haar bewust buitensloten, terwijl de andere partijen zeiden dat er met de PVV niet te praten viel.
“Op voorhand werden wij al door het grootste deel van de partijen vermeden”, zegt Toon van Dijk. “Alleen met de VVD hadden wij een constructief gesprek.” SP’er Peter Duvekot vindt juist dat Raymond de Roon zich niet openstelde. “In zijn eerste toespraak zei hij: ‘Jullie maken de PVV zwart. Ga daarmee vooral door, we varen er wel bij.’” Duvekot vindt dat geen mooie start.
“Raymond de Roon is heel fatsoenlijk en plezierig in de omgang,” zegt Wim Faber, voorzitter van het CDA, “alleen jammer dat we na een half uur onderhandelen weer op straat stonden.” Volgens hem gebruikte de partij het onderwerp hoofddoekjes als opmaat om dingen naar zich toe te trekken. “Dat klopt,” zegt Jan Lems, raadslid van D66, “als iets riekt naar islamitisch, maakt de PVV het groot.” Zijn partij stond na 20 minuten onderhandelen met De Roon weer buiten.
De PVV nodigde Leefbaar Almere als enige partij niet uit voor coalitieonderhandelingen, omdat fractieleider Frits Huis in een column in Trouw had geschreven dat discriminatie als een bruine draad door het programma van de PVV loopt. ‘Huis maakt ons uit voor bruinhemden’, liet de PVV weten, een bijnaam voor de volgelingen van de Sturmabteilung (SA) in de Tweede Wereldoorlog. “Ik heb gezinspeeld op het bruine gedachtegoed”, vertelt Huis nu laconiek. “Ik moest eerst mijn excuses aanbieden, pas daarna mochten we mee-onderhandelen. Dat heb ik niet gedaan.” Volgens hem is sinds de komst van de PVV vooral de beveiliging veranderd. Hij signaleert overal bewakers en ook politiemensen in burger, die veel geld kosten.

Eind maart 2010 strandden de coalitieonderhandelingen. Informateur Hans Andersson doet daarna een tweede poging om een college te vormen, maar concludeert al gauw dat de PVV inhoudelijk en ideologisch te ver van het politieke midden staat: over alles moeten vechten is niet goed voor de bindingskracht. Medio april is het duidelijk: de PVV blijft in Almere definitief uit het college van burgemeester en wethouders.

Moties

Donderdagavond 29 april op het stadhuis van Almere. Opnieuw staat het hostel op de agenda. De PVV en Trots op Nederland hebben ieder een motie ingediend, die in de raadszaal besproken wordt. Buiten schemert het. Mensen praten en lachen er. Bastonen dringen gedempt de raadszaal in. Het is Koninginnenacht 2010.
Een luide gong kondigt het begin van de vergadering aan. Burgemeester Annemarie Jorritsma vertelt trots dat wethouder Johanna Haanstra benoemd is tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Uitgerekend nu ze onder vuur ligt. Het handjevol bezoekers in de zaal en de raadsleden applaudisseren. Haanstra lacht verlegen.
Toon van Dijk licht zijn motie toe. Op twee videoschermen links en rechts is hij groot in beeld. “Henk en Ingrid willen geen hostel.” Er klinkt gelach. Henk en Ingrid, het ijkstel van de PVV. Blanke Nederlanders tussen de 20 en 50 jaar, die niet willen betalen voor Ali en Fatima. Voorstanders van minder immigratie. Van Dijk: “Het hostel in het centrum vestigen, is volstrekt onverantwoord.” “U maakt het college verwijten,” merkt de fractievoorzitter van GroenLinks op, “maar ik daag u uit om ook mee te denken.” Dat wil Van Dijk ook wel, maar éérst moet het college alternatieve locaties aandragen.
Daarna licht de fractievoorzitter van Trots op Nederland zijn motie toe. Zijn partij wil de garantie dat elke inwoner van het hostel behandeld wordt voor zijn verslaving en dat de straathandel in drugs aan banden wordt gelegd. “Ik ben met stomheid geslagen door deze laffe houding van Trots”, roept Van Dijk. “Jullie zijn tegen het gedoogbeleid, maar komen vervolgens met een motie die dat toestaat. U wijkt af van het landelijk programma.” De fractievoorzitter kleurt rood, maar blijft kalm: “En ú weigert een oplossing aan te dragen”, zegt hij. “Ik ben blij dat ik lid ben van een partij waar je lokaal nog zelfstandig kunt denken”, merkt de fractievoorzitter van GroenLinks pesterig op.

Na 56 dagen onderhandelen wordt op 19 mei het nieuwe college gepresenteerd, bestaande uit PvdA, VVD, D66 en CDA/ChristenUnie. Een dag later wordt de motie van de PVV tegen het hostel in stemming gebracht. Maar voordat het zover is, geeft Van Dijk aan ‘eerst nog een keer met de VVD-fractie en het nieuwe college van gedachten te willen wisselen’. De motie wordt aangehouden. Dat betekent dat de PVV op een later tijdstip erop terugkomt.

Wandelgangen

Peter Duvekot bespeurde de eerste weken woede bij sommige PVV’ers. “Alsof hen persoonlijk iets was aangedaan. Dat begint nu een beetje weg te trekken.” Met een aantal PVV’ers kan hij wel samenwerken, vooral dan met diegenen die openstaan voor ‘gewoon menselijk contact’.
Volgens Wim Faber gaan de PVV’ers tijdens vergaderingen snel in de aanval en maken dan hun standpunt onmiddellijk duidelijk. “Ook mengen ze zich niet met de andere raadsleden”, vertelt hij. “Je ziet ze bijvoorbeeld niet bij de koffieautomaat.” Jan Lems bevestigt dit: “Na afloop van een bijeenkomst blijven andere partijen napraten, zij doen dat niet.” Bij de andere partijen loopt hij gemakkelijk even binnen, bij de PVV niet. Alleen met Chris Jansen heeft hij wat meer contact: hij spreekt hem wel eens bij het zaalvoetbal.
“Tijdens de vergadering is de toon wat harder: je strijdt immers voor de Almeerse stemmen”, vertelt PVV’er Chris Jansen. Maar buiten de vergaderingen probeert hij medestanders te vinden, zoals bijvoorbeeld in de kwestie van het hostel. “Jammer dat de VVD daarin draait”, zegt Jansen. Nu er een nieuw college is, zijn de coalitiepartijen volgens hem minder scherp, omdat ze hun wethouder niet willen afvallen.
Klaas Jongejan van de VVD vindt dat door de komst van de PVV de toon waarop vergaderd wordt, is veranderd. “De partij gebruikt regelmatig grove taal”, zegt hij. “De taal van jongens van 18, 19 jaar. Straattaal, die niet past in een gemeenteraad.” Hij merkt op dat de PVV anderen niet in hun waarde laat en bij voorbaat al geen ruimte geeft. “Na afloop van een vergadering verzamelt de kloek haar kuikens en verlaat via de zijdeur de zaal.” Hij doelt op De Roon en Van Dijk. Jongejan vindt ze niet betrokken, omdat ze zich niet begeven tussen de andere raadsleden. “Waarschijnlijk is de PVV vanuit Den Haag stringent geïnstrueerd hoe zich te gedragen.”
Wat vindt Toon van Dijk van die kritiek? “De Almeerse raadsleden zijn makke schapen”, zegt hij. “Schapen die achter het college aanhollen.” Uitzonderingen daargelaten, vindt hij de raad weinig kritisch. “Wij willen,” zo zegt Van Dijk, “de boel wakker schudden en de zaken scherper aanzetten.”

Beginnende raadsleden

“De gemeentelijke verordening klopt voor geen meter”, zegt PVV’er Chris Jansen tijdens een van de eerste raadsvergaderingen die hij bijwoont. “Het verbaast mij dat de andere partijen ermee akkoord gaan.” Op de agenda staat de verordening antidiscriminatievoorziening. Jansen maakt een onberispelijke indruk: keurig in zwart pak, zijn haren netjes gekamd. Af en toe kijkt hij in zijn documenten en likt daarbij aan zijn vinger om de pagina’s om te slaan. Duidelijke taal, daar houdt Jansen van.
Bij het bespreken van de besluitenlijsten neemt Colette Bertram van de PVV als eerste het woord. Ze wil onmiddellijk een plenair debat. Bertram is een vrouw van middelbare leeftijd met bruin, halflang haar. Ze heeft een felgroen jasje aan met daaronder een bruine rok met ruches aan de onderkant en zwarte zomerschoenen met hoge hakken. Een beetje stijfjes, maar op haar linkerenkel prijkt een tatoeage. De voorzitter legt uit wat de spelregels zijn: “U kunt iemand uitdagen tot debat, maar dat wordt niet dezelfde avond gevoerd. Vanavond kunt u meningen en informatie uitwisselen.” Bertram verontschuldigt zich: “Mijn excuses, dan trek ik het voorstel weer in.” Kaarsrecht zit ze op haar stoel en zij kijkt dapper naar de voorzitter.
Na afloop, in de vergaderkamer van de PVV, lukt het om een paar vragen te stellen aan Toon van Dijk en Chris Jansen. Hoe ervaren zij hun entree in de Almeerse gemeenteraad? “Wij PVV’ers zijn allen nieuw in de politiek, met uitzondering van de heer De Roon. Maar we brengen wel onze arbeidservaring mee”, zegt Jansen. “Politiek bedrijven gaat de een wat makkelijker af dan de ander.” Hij wijst naar Van Dijk, die advocaat is en een voorbeeld voor hen allen. Jansen vindt zichzelf ook een debater. “Ik zit mijn leven lang in de sales. En of je nu een product, een dienst of een standpunt verkoopt, dat maakt in principe niet veel uit.”
Is het mogelijk een fractievergadering van de PVV bij te wonen? Jansen vindt het prima. “Dan kunt u een verzoek per mail indienen”, zegt hij vriendelijk. Als door een wesp gestoken, veert Van Dijk op van zijn stoel en zegt beslist: “Daar kan ik heel duidelijk in zijn, dat gaat niet gebeuren.”